Nieuwe Cultuur Nieuwe Politiek Nieuwe Synthese

Metapolitíek - Europeïsme - Identitair - Bioregionaal - Conservatief-Revolutionair - naar NIEUW RECHTS - naar NIEUWE POLITIEK - naar een NIEUWE SYNTHESE ! ------ METAPO SOS-STUDIECENTRUM ------

maandag, juni 20, 2005

PLEIDOOIEN VOOR DE NATIESTAAT door drs. Mart GIESSEN in Heemland 09

In liberale en socialistische kringen is in de laatste jaren met tussenpozen een publieke discussie tussen intellectuelen gevoerd over de Nederlandse identiteit en soevereiniteit en over nationalisme. Het debat werd min of meer geopend en onderhouden door Paul Scheffer, columnist in NRC-Handelsblad, van wiens hand enige interessante artikelen verschenen, waaronder "Nederland als een open deur" (7 januari 1995). Opstellen van diverse auteurs werden gebundeld uitgegeven in "Het nut van Nederland" (1996). Ed van Thijn reageerde furieus op het boek, omdat hij nationalisme hoe dan ook onbeschaafd, pervers en mensonterend vindt. Hij vond de deelneming van progressieve intellectuelen aan het debat buitengewoon irritant. De historicus prof. van Sas gaf een genuanceerde bespreking in de NRC van 6 april 1996.

Bij nationaalgezinde politieke partijen was nauwelijks sprake van discussie over eigen politiek handelen en van bezinning op de grondslag. Voor deze partijen die voor zichzelf toch voor een belangrijk gedeelte van hun standpuntbepaling impliciet uitgaan van argumenten en sentimenten voortkomend uit nationale belangen, was er eigenlijk alle reden om hierbij aan te sluiten en om enige reactie op deze stroom van artikelen in de media over de nationale identiteit te leveren. Dat bleef echter achterwege of het werd misschien, wat zeer gebruikelijk is, bij de pers geweigerd. Feit is dat er in de eigen geschriften weinig op werd ingegaan. Vragen die over de aangeroerde onderwerpen in nationaalgezinde kring aan de orde gesteld hadden kunnen worden, zijn er natuurlijk best. Of was men zo beginselvast dat een gedachtenwisseling in de gelederen overbodig was en had men eenvoudigweg helemaal geen behoefte aan een fundamentele bezinning?

Nationaalgezinde geschriften

Toch zijn er in de loop van de tijd gelukkig wel enige handzame brochures verschenen, zoals het "Partijprogramma Centrumpartij" (1981), hoofdauteur Henry Brookman; "Programma Realisten Nederland" (1989), auteurs onbekend; "Een Nationalistische Politiek in Hoofdlijnen" (1994), hoofdauteur Fred Schra; en "Ruimte voor Holland, provinciaal verkiezingsprogramma Zuid Holland" (1994), auteur schrijver dezes; de lezer verontschuldige mij als ik een belangrijk document niet ken of vergeet te noemen. Naast en voorafgaand aan het vermelde debat over nationale identiteit in linkse en liberale kringen zijn er dan auteurs met conservatieve en nationalistische opvattingen geweest, die deze uitgewerkt en neergelegd hebben in programma's en geschriften. Zelf heb ik einde 1992 en begin 1993 gewerkt aan een heldere formulering en beargumentering van nationaal bewuste opvattingen en heb ik de proeve met als titel "Verkenningen" ter publicatie ingeleverd bij de redactie van CD-Actueel, die het maanden later afdrukte achterin haar uitgave van september 1993. Vreemd is dat dit authentieke geschrift zowel binnen als buiten de partij vrijwel onopgemerkt bleef. Het handelt ondermeer over een bepleite ordening van staten langs etnisch culturele of wel nationale lijnen en het onderstreept het belang van de natiestaat, ook voor de toekomst. Dit betoog lijkt de redactie van Heemland nog steeds een welkome aanvulling uit nationaalgezinde kring op de links-liberale zienswijzen. Het wordt de lezer in textueel ongewijzigde vorm verderop in dit tijdschrift aangeboden.

Het nut van Nederland en het begrip natie

Aan het boek "Het nut van Nederland" wil ik hier graag nog enige passages wijden, mede met het oog op de eigen nationaal gezinde opvattingen en om er enige treffende wetenswaardigheden uit te halen. Als een rode draad loopt door het boek het door Fennema en andere medeauteurs nader bepaalde onderscheid tussen twee soorten van natiebegrip, van wat wel genoemd wordt de Duitse etnisch-culturele opvatting en de Franse burgerlijk-contractuele opvatting, waarbij het onderscheid net even anders getypeerd kan worden door een auteur al naar gelang van de accenten die hij erin wil aanbrengen of de gekozen invalshoek. De verschillende schrijvers geven in meer of mindere mate blijk de Duitse opvatting te willen verwerpen of zelfs te verafschuwen en de Franse opvatting nog verder te willen verluchtigen, bijvoorbeeld door het natiebegrip te beperken tot het louter delen door burgers van enige gemeenschappelijke nationale instituties wat dan al voldoende zou zijn voor een besef van lotsverbondenheid.

Twee benaderingen van de natie

In het Franse contractmodel is de natie een politiek verbond van mensen die onder dezelfde wetten willen leven; in het Duitse cultuurmodel is de natie een natuurlijk verband van mensen die een gemeenschappelijke etnische, culturele achtergrond hebben. In beide modellen wordt belang gehecht aan lotsverbondenheid en traditie, en beide, ook de Franse, hebben in beginsel de volkssoevereiniteit met het volk als mandaatgever van het staatsgezag als vertrekpunt. De etnische natie is bovenal een culturele volks- en lotsgemeenschap, terwijl de contractnatie vooral een politieke wils- en nutsgemeenschap is.

Voor Charles Maurras, de grondlegger van Action Française, die de Duitse opvatting huldigde, is er geen vrije keuze van de natie waar iemand toebehoort; bloed, vaderland, taal en tradities kunnen niet gekozen worden. Voor Ernest Renan, de theoreticus van het Franse model is vooral de subjectieve, politiek-psychologische wens om ook een gezamenlijke toekomst te hebben bepalend voor de nationaliteit; voor hem zijn objectieve, cultureel-biologische kenmerken als afkomst en zelfs taal en geografische gesteldheid daaraan ondergeschikt. In de juridische sfeer kan het onderscheid tussen jus sanguinis en jus soli op dezelfde tweedeling teruggevoerd worden; in het eerste geval is het staatburgerschap bepaald door de afkomst van de ouders (afstammingsbeginsel) en in het tweede geval door de plaats en het land van geboorte (territorialiteitsbeginsel).

De Duitse opvatting wordt in progressieve, liberale kringen tegenwoordig politiek incorrect, onbeschaafd en on-liberaal gevonden, zo betitelt Delwaide ze, en haar aanhangers worden met wat kwade wil al snel gebombardeerd tot het ook al zo beladen woord 'nationalisten', wat Bolkestein voor zichzelf een scheldnaam vindt, of, nog erger, benoemd als extreem rechts en zelfs anti-democratisch; er zouden onderbuiksgevoelens loskomen, wat dat dan ook mogen wezen. De Franse opvatting wordt daarentegen politiek correct, liberaal en rationeel bevonden en met de nodige aanpassingen voor hedendaags gebruik hanteerbaar geacht.

Hoezeer dit waarde-oordeel evenwel aan wisselingen onderhevig is, leert ons in het bijzonder de geschiedenis van het toekennen van de Nederlandse nationaliteit, beschreven in "Van Vreemdeling tot Nederlander" (1995) van Heys en aangehaald door Fennema. Door de liberaal Thorbecke werd bij de nationaliteitswet van 1850 deels het afstammingsbeginsel bij wet ingevoerd om de inlanders in Nederlands Indië van toekenning uit te sluiten en later werd in 1892 de wet aangescherpt omdat men afstamming als het enig juiste beginsel voor nationaliteitstoekenning beschouwde. Aanleiding was toen te verhinderen dat kinderen van Duitse immigranten vanzelf Nederlander werden. Dit is wel even anders dan tegenwoordig.

De zoektocht naar een bruikbaar natiebegrip voor identiteit

Vanwaar dit voortdurende zoeken bij de auteurs naar een voor hen bruikbaar begrip van de natie? Het blijkt dat enige vorm van nationale identiteit hoe gering ook, zoals bijvoorbeeld een minimaal aantal als gemeenschappelijk geduide en beleden normen en waarden een beetje houvast en middel moet bieden om de problemen waarmee de samenleving worstelt, aan te vatten in de door de auteurs gewenste specifieke richting, die per auteur soms weleens kan verschillen al naar gelang diens politieke voorkeuren. Die nationale identiteit wordt dus inhoudelijk gevuld met voornamelijk socialistische en neoliberale wenselijkheden, zoals een gemeenzaam patroon van tolerantie, consensus en streven naar gelijkheid, en wordt zoveel mogelijk uitgekleed of ontdaan van de vroegere historische inhoud van dit begrip, vooral van zijn etnisch-culturele kenmerken. Voor Peter Hilhorst is het deelnemen aan of gebruik maken van een paar nationale instituties al voldoende voor een gevoel van lotsverbintenis en voor patriottisme, niet met het land maar met de politieke eenheid in dat land. De historicus prof. Kossman vindt een onophoudelijk gesprek in de Nederlandse taal genoeg voor het behoud van onze cultuur, en van een Nederlandse identiteit wil hij niet weten.

Opvallend is dat de meeste auteurs bij hun stellingname ten gunste van een licht, politiek 'Frans' natiebegrip volop beroep doen op concepten van de verbeelde natie zoals uitgewerkt door Benedict Anderson (1983) of de maakbare natie volgens Ernest Gellner (1983), die vinden dat naties - als waren het constructies - bedacht, uitgevonden en geschapen worden door belanghebbenden; maar ze houden zich liever verre van de moderne etnisch-culturele natievormingstheorie van Anthony Smith (1995), waarvan slechts misbruik gemaakt kan worden door partijen als het Vlaams Blok, zo is de redenering. Hoe verzonnen een natie overigens ook in het begin mag wezen, uiteindelijk is ze na geslaagde vorming toch een realiteit.

De enige auteur die aansluit bij de theorie van Smith, is Wilterdink, die de drie door Smith onderscheiden basisfuncties van de nationale staat doorneemt, te weten: identiteit door het verschaffen van identificatie op grond van een gemeenschappelijke cultuur en onderlinge communicatie, solidariteit door het verschaffen van onderlinge steun en van collectieve voorzieningen, en autonomie door het verschaffen van het kader voor politieke besluitvorming en rechtsvorming langs democratische lijnen, in beginsel onafhankelijk van andere staten. Erkent hij de mogelijke ondermijning van deze basisfuncties door de huidige processen van globalisering, immigratie en het Europese eenheidsproject, tegelijk bagatelliseert hij de moeilijke gevolgen.

De meeste auteurs erkennen wel dat er grote problemen zijn. De verbrokkeling van de samenleving, de vergroting van maatschappelijke verschillen, het slinken van sociale cohaesie en van solidariteitsgevoel, het weglekken van nationale soevereiniteit en politieke autonomie, de verslonzing van de rechtsstaat, de kwestie van de multiculturalisatie en het afnemen van Nederlandse identiteit zijn onderling sterk verweven problemen, die veel onrust en onbehagen geven en waarvoor geen gemakkelijke antwoorden en oplossingen voorhanden zijn. Sommigen vinden dat begrippen als nationale identiteit en natiestaat kunnen bijdragen aan het ontrafelen en oplossen van zulke problemen, anderen wijzen dit af. Wat hen boven alles zorgen baart, is of de samenleving wel beheersbaar blijft voor de gezaghebbende elites. Met zulke formulering staat het ongeveer in de bijdrage van de socialist De Beus, die vreest voor probleemtoename door verdere verslechtering van etnische verhoudingen. Daarom roept hij de gezagsdragers op tot het nemen van drastische maatregelen ten behoeve van snelle inburgering of in zijn woorden versnelde 'patritering' van grote aantallen immigranten ter bevordering van het transnationaal en multicultureel samenleven !

De zorgen van een linkse intellectueel

De verdienste van Paul Scheffer als sociaal-democraat is in ieder geval dat hij niet wegloopt voor de gesinjaleerde problemen en de weerzin bij zeer veel Nederlanders erkent als begrijpelijk en gerechtvaardigd, en dat hij als een van de eersten in zijn kring daarvoor fundamentele aandacht vraagt, wetend dat hij het 'spook' van het nationalisme omhoog haalde wat daar welhaast een doodzonde is. Hij komt oprecht over. In het NRC-artikel "Achterstallig onderhoud" van 21 maart 1994 beschrijft hij zijn zorgen: de uitholling van de rechtsstaat met de twijfel aan de rechtsbescherming door de overheid, de afbraak van de verzorgingsstaat ondermeer inzake sociale zekerheid, onderwijs en gezondheidszorg en het zagen aan de pijlers van de natiestaat zelf. Enkele citaten: "Het vanzelfsprekende gevoel van verwantschap in de bevolking neemt af" en "Burgers ontlenen minder rechtszekerheid, sociale bescherming en culturele bevestiging aan de huidige staat" In "Geen belang bij onwetendheid" van 24 juni 1996 pleit hij nogmaals voor het niet opgeven van de Nederlandse soevereiniteit in ruil voor verdere Europese integratie en eenwording, zijnde het almachtige streven van de bovenlaag in politiek, transnationaal bedrijfsleven en bankwezen. Hij waarschuwt wederom voor de kloof tussen burgers en politieke bovenlaag.

Hooggestemde idealen ten dienste van de elite

De echte bedoelingen van de maatschappelijke elites en de methodes, die door schrijver dezes in zijn artikel "Beschouwingen" in het blad Heemland (nr 8) geduid zijn met massa-immigratie, multi-etnificatie en denationalisatie, blijven bij de auteurs nagenoeg onbesproken. Het gaat om geld en macht. Van bepaalde ideologiën en idealen wordt dankbaar gebruik gemaakt voor zover als ze in de huidige tijd van nut zijn voor realisering van de plannen bij de top. Afwijkende denkbeelden en opvattingen worden daarbij niet toegestaan; ideëel is de openbare discussie over de inrichting van de maatschappij verregaand beperkt. Het kader waarbinnen gedacht mag worden, ligt vast. Dat de sturing van bovenaf door de overheid onder het mom van zulke idealen zoals tolerantie geen tegenwerping duldt, erkent Erik van Ree in zijn bijdrage aan de bundel ruiterlijk met vrijwel de volgende woorden: "dat een overheid die van de burgers overeenstemming over wat dan ook eist doordat zij zich de normen van de moderne tolerantie eigen moeten maken, een flinke stap op weg naar een totalitaire gemeenschap heeft gezet". "Van burgers kan slechts geëist worden dat zij zich aan de wet houden, en niet dat ze het met die wet eens zijn". Dat zulke idealen in de rechtspraak reeds langer als repressiemiddelen worden gehanteerd tegen politieke tegenstanders van multiculturalisatie dringt langzamerhand door. Men leze het artikel "Multicultureel ongemak" van hoofdredacteur Schoo in Elsevier van 5 april 1997, die tevens wijst op de wisselvalligheid van de gebezigde staatsleer door gezaghebbers, die bijvoorbeeld de stelling 'Eigen volk eerst', voorheen grondslag van democratie en natie-staat, doen verbieden door de rechterlijke macht.

Laat mij het zo zeggen. Eind zestiger jaren leek het of de toekomst er maatschappelijk vreedzaam en voorspoedig uit zou zien, maar thans is ondanks de enorme technisch-wetenschappelijke vooruitgang, ondermeer met behulp van de informatietechnologie, de maatschappelijke leefbaarheid achteruit gekelderd en de dienstverlening door de overheid in alle opzichten achteruit gehold, zonder dat daar alhier van binnenuit dwingende factoren voor bestonden. En de kosten en lasten worden steeds harder afgewenteld op de burger. Ergens op hoog niveau moeten beslissingen genomen zijn buiten elke reële democratische controle om; er moeten keuzes gemaakt zijn om onze landen door demografische verschuivingen zodanig te laten ontwrichten als gebeurd is. Om nogmaals Schoo aan te halen: "Nooit is de kiezers de vraag voorgelegd of zij de multiculturele samenleving wilden, laat staan de ideologie van het multiculturalisme." Ook is nooit aan de Nederlandse kiezers voorgelegd of die hun nationale identiteit in etnisch-culturele zin wilden opgeven en hun nationale soevereiniteit. Over het hele Europese integratietraject wordt voortdurend over het hoofd van de kiezers heen beslist in transnationale netwerken van bonzen uit politiek, bankwezen en bedrijfsleven. Er wordt de kiezers een rad voor de ogen gedraaid met een beroep op hoge beginselen verpakt in mooie woorden, maar er mogen geen lastige vragen gesteld worden. De vraagstellers worden het liefste afgeschilderd als achterlijk, fout of misdadig.

De Europese eenwording en de natiestaat

Bij de liberale vereniging Thorbecke werd uitgegeven de boekbundel "Tussen kloof en gat. De parlementaire democratie in de 21-ste eeuw" (1996) onder redactie van prof. Andeweg. Jaak Peeters, oud-partijsecretaris van het Vlaams Blok bespreekt dit boek in het maandblad Het Verbond (jrg.IX, nr 4,5,6-7, 1996) een uitgave van het Nationalistisch Verbond/de Nederlandse Volksbeweging en sluit af met enige standpunten vanuit zijn nationalistische visie. Hij verwerpt de achteloze opoffering ten behoeve van de vrije markt van culturele en nationale identiteiten, zoals de doodverklaarders van de natiestaat willen. "Een wereld waarin culturele barrières verdwenen zijn, en waarin mensen en volken, voor zover ze nog bestaan, niet door enige kennis van het verleden worden gehinderd, is een wereld die alleen nog de sterksten en de rijksten wat te bieden heeft". Peeters erkent het bestaan van machtige transnationale, vaderlandsloze netwerken als realiteit waar niemand omheen kan, maar meent met enige auteurs van het besproken boek dat juist daardoor nog meer behoefte zal groeien aan geborgenheid en eigenheid, welke volgens hem slechts in de natiestaat nog enigszins voelbaar en verwerkelijkbaar zijn. En hij stelt tegenover Andeweg, dat veronderstellingen van enigerlei loyale identificatie van de burger met de Europese instituties en met Europese besluitvorming en regelgeving, hoe formeel democratisch ook tot stand gekomen, gevaarlijke illusies zijn. "De Europese superstaat met bureaucratie zal de zeggenschap van de burger niet versterken maar aanvreten. Alleen met de natiestaat heeft de burger het middel in handen om zich de grijpgrage handen van vaderlandsloze beslissers van het lijf te houden".

Peeters' commentaar is tevens een antwoord aan het adres van hooghartige europeanisten zoals prof. Leerssen, die het ideaal van de natiestaat voor onhoudbaar verklaart, en filosofen als Rousseau, Herder en Smith verwijt belang te hechten aan volkssoevereiniteit en culturele en etnische identiteit. Volgens Leerssen in de NRC van 7 januari 1997 "zou de staat heel goed onze belangen kunnen behartigen zonder zich als politieke belichaming van onze culturele identiteit te willen opwerpen en culturen zouden heel goed kunnen overleven zonder dat in een eigen staat te moeten doen." "De culturele afstand tussen burger en staat is (volgens Leerssen /mg) slechts in beperkte mate relevant. Veel belangrijker lijkt het de afstand tussen burger en staatsgezag in bestuurlijk opzicht zo gering mogelijk te houden". Grotere aantoonbare prietpraat kom je toch weinig meer tegen bij de alom erkende kloof tussen burger en bestuur, zie de bundel van prof. Andeweg, en bij de historisch gedocumenteerde verdwijning van hele etnisch-culturele entiteiten door toedoen van staatsapparaten. Zonder verregaande bestuurlijke autonomie voor een culturele entiteit met de eigen taal als voertaal, is een cultuur behoorlijk kansloos. De hele geschiedenis staat bol van de voorbeelden, zoals het vergeten Occitaans; men leze terzake "Peasants into Frenchmen" (1976) van Eugen Weber over de doelbewuste, disciplinerende methodes van verfransing via algemeen lager onderwijs en militaire dienstplicht door de jakobijnse Derde Republiek.

Bovendien wenst Leerssen in twijfel te trekken of het nog wel zinvol is om van Nederlandse literatuur en cultuur te spreken, zodat hij zich waarschijnlijk goed kan vinden bij minister Ritzen die het hoger onderwijs wil verengelsen. Zulke blijken van verloochening van culturele identiteit liggen in het verlengde en zijn het logische gevolg van hun afwijzing van een Nederlandse nationale identiteit.

De revanche van Renan en het belang van eenzelfde taal

Een verrassende wetenswaardigheid kwam ik tegen in de bijdrage van Van Benthem van den Bergh aan "Het nut van Nederland". Ernest Renan had bij zijn beroemd geworden rede van 1882 aan de Sorbonne over "Qu'est ce que une Nation?" een belangrijke bijbedoeling bij zijn definiëring van de natie. Hij wilde revanche laten nemen op Duitsland, dat in 1871 het duitstalige Elzas Lotharingen herkregen had, dat overigens eeuwenlang tot het Duitse Rijk behoord had. Algemeen vond men in die tijd een gemeenschappelijke taal het belangrijkste kenmerk en de objectieve grondslag van naties. En juist daar had Renan dus niets aan voor zijn stelling dat Frankrijk een natie was, een stelling die destijds niet vanzelfsprekend was ondermeer vanwege de veelheid van streektalen. Vandaar dat hij stelde dat taal en etnografische groep er niet toe zouden doen. Zijn definitie van de natie als typische staats- en wilsgemeenschap, gebaseerd op een 'volonté generale', beoogde een politiek te steunen die de volledige verfransing van het platteland tot in de verste uithoeken van het territorium van de Franse staat nastreefde met inbegrip van de verloren gegane gebieden. Renan vond het samenvallen van natie en staat vanzelfsprekend en gaf aan de natie dus eigenlijk geen objectieve grondslag mee in de vorm van een gemeenschappelijke taal, cultuur of religie, los van de staat zelf.

Taal wordt evenwel nog steeds gezien als cruciale factor bij processen van natievorming; het spreken van dezelfde taal vergemakkelijkt de communicatie tussen de staatsburgers aanzienlijk, zoals ook spoorlijnnet, wegen, post, telefoon, krant en televisie een intensieve communicatie bevorderen en daarmee kunnen bijdragen aan natievorming. Naam- en zingeving - het aanduiden van, betekenis geven aan en verband leggen tussen alwat gekend en bedacht wordt - gebeurt door middel van taal. Zo wordt de leef- en denkwereld van een groep mensen bij uitstek neergelegd en weergegeven in haar taal en geschiedt de overlevering van generatie op generatie met die taal. Door het denken in en het gebruik van een eendere taal, liefst dezelfde moedertaal, ervaren mensen deel te hebben aan eenzelfde cultuur en voelen zij zich, bij erkenning van voldoende overeenkomst in eigenheid, geschiedenis en bestemming, als volksgenoten.

Sommige voorstanders van de Europese eenwording met bezwaren tegen de natiestaat, zoals Delwaide, de Swaan en Ritzen willen dan ook graag zoveel mogelijk het Engels als voertaal laten bezigen. "Europa heeft meer één taal nodig dan één cultuur", aldus Delwaide in zijn artikel in de NRC van 9 juli 1994 naar aanleiding van Scheffer's betoog. Het gemakzuchtige, officieuze gebruik van slechts één taal, het Engels in commercie, wetenschap en internationale contacten, leidt reeds tot een gestage ondermijning van de bestaande cultuurtalen, die op menig terrein verdrongen dreigen te worden. Veelvuldig wordt Engels al verplicht gesteld. Met de overdracht van nationale bevoegdheden en door zulke culturele maatregelen zullen vanzelf de nationale staten aan belang verliezen en zal het afzonderlijke nationale besef in de lidstaten afnemen en liefst verdwijnen, zo is de verwachting. Miskennen van het belang en beperken van het gebruik van de eigen taal passen goed in de strategie van denationalisatie om autochtone gemeenschappen te laten inboeten aan identiteit, solidariteit, legitimiteit en soevereiniteit en hun deze waarden en rechten als functies van hun nationale staat, zeker voorzover nog etnisch-cultureel bepaald, desnoods te ontzeggen.


Mart Giesen


Geraadpleegde en aangehaalde literatuur

boeken

E. Renan "Qu'est-ce que une Nation" (1882, 1994)

E. Weber "Peasants into Frenchmen: The Modernization of Rural France, 1870-1914" (1976)

E. Gellner "Nations and Nationalism" (1983)

B. Anderson "Imagined Communities: Reflections on the origin and spread of Nationalism" (1983)

R. Po-chia Hsia "Society and religion in Münster" (1984)

A.D. Smith "The Ethnic Origins of Nations" (1986)

A.D. Smith "Nations and Nationalism in a Global Era" (1995)

E. Heys "Van Vreemdeling tot Nederlander. De verlening van het Nederlanderschap aan vreemdelingen, 1813-1992" (1995)

K. Koch, P.Scheffer e.a. "Het nut van Nederland. Opstellen over soevereiniteit en identiteit" (1996)

R.B. Andeweg e.a. "Tussen kloof en gat. De parlementaire democratie in de 21-ste eeuw" (1996)

artikelen

M. Bierman "Nederland is een gastvrije maar roekeloze herberg" in NRC Handelsblad 25 november 1993

M. Giesen "Verkenningen" in CD-Actueel jrg 7 nr 3, 28 september 1993

P. Scheffer "Vreemdeling in eigen land" in NRC Handelsblad 1 maart 1994

P. Scheffer "Achterstallig onderhoud" in NRC Handelsblad 21 maart 1994

P. Scheffer "Nederland als een open deur" in NRC Handelsblad 7 januari 1995

N.C.F. van Sas "Nederland als goed gesprek" in NRC Handelsblad 6 april 1996

J. Delwaide "Europa heeft meer één taal nodig dan één cultuur" in NRC Handelsblad 9 juli 1994

M. Giesen "Beschouwingen" in Heemland nr 8 ,1995

E. Van Thijn "Op zoek naar een doodlopend spoor" in Vrij Nederland nr 24, 15 juni 1996

J.L. Heldring "Uit het verdomhoekje" in NRC Handelsblad 18 juni 1996

P. Scheffer "Geen belang bij onwetendheid" in NRC Handelsblad 24 juni 1996

P. van Schie "Liberalisme zonder nationaal belang is sfeerloos interieur" in NRC Handelsblad 15 juli 1996

J.Th. Leerssen "Het ideaal van de natiestaat is onhoudbaar" in NRC Handelsblad 7 januari 1997

L. Beheydt "Geen cultuurbeleid zonder culturele identiteit" in NRC Handelsblad 3 februari 1997

H.J. Schoo "Multicultureel ongemak" in Elsevier 5 april 1997

J. Peeters, o.n.v. R. van Kralingen "Waarheen, democratie ?" in Het Verbond jrg IX nrs 4,5,6/7, 1997

J.P.M. Rüter "Gemeenschap en maatschappij" in TeKos nr 83, 1997

HEEMLAND
Redactieadres:
Postbus 58
2740 AB Waddinxveen
HEEMLAND

1 Comments:

At 12:24 a.m., Anonymous Anoniem said...

moet controleren:)

 

Een reactie plaatsen

<< Home