Nieuwe Cultuur Nieuwe Politiek Nieuwe Synthese

Metapolitíek - Europeïsme - Identitair - Bioregionaal - Conservatief-Revolutionair - naar NIEUW RECHTS - naar NIEUWE POLITIEK - naar een NIEUWE SYNTHESE ! ------ METAPO SOS-STUDIECENTRUM ------

vrijdag, februari 17, 2006

Discussiestuk 3: NAAR EEN NEDERLANDS PALEOCONSERVATISME - Een pleidooi voor een paleoconservatieve beweging in Nederland door Erik van GOOR

"Er bestaat volstrekt geen kans dat de gewone Amerikanen ooit de macht zullen heroveren voor een voldoende lange tijd om het tij te keren tegen het multiculturalisme, positieve rassendiscriminatie (...) De anti-Amerikanen in beide partijen hebben bovendien de Amerikaanse soevereiniteit vernietigd door hun verliefdheid op de economische en politieke globalisering. (...) Het feest is voorbij, het is tijd om het einde vast te stellen. De strijd voor de Amerikaanse toekomst daarentegen is pas begonnen. (...) De Amerikanen hebben nog vele opties, al is geen enkele daarvan een politieke. Sommigen zullen bij hun biertje zitten wenen, anderen zullen hun leven vergooien aan haat zoals de White Power-bewegingen. Maar enkelen zullen dapper genoeg zijn om de toekomst onder ogen te zien en te beseffen dat de Westerse mens dit allemaal al eens eerder meegemaakt heeft en erin geslaagd is om enkele kostbare dingen uit de ruïnes te redden."

Thomas Fleming in Chronicles, november 2001.

Met bovenstaand citaat van dr. Thomas Fleming eindigt Koenraad Elst zijn breedvoerige analyse van het Amerikaanse paleoconservatisme [1]. Dit paleoconservatisme is volgens Elst om meerdere redenen opmerkelijk. Het weerlegt volgens hem niet alleen het beeld van Amerikanen die niet denken, het problematiseert ook de verhouding tussen christendom en conservatisme en eveneens de verhouding tussen "klassiek liberaal" denken en conservatisme.

Het paleoconservatisme is echter om meerdere redenen - naast de door Koenraad Elst genoemde redenen - voor ons interessant. Juist in de bedding van het paleoconservatisme, en het aanverwante traditioneel conservatisme van bijvoorbeeld Russell Kirk en Claes G. Ryn, is de erfenis, en de daarin verscholen werkelijkheid, van het Oude Europa een levende werkelijkheid, meer nog dan bij ons in Europa. In Europa werd tijdens het Interbellum en tijdens de zogenaamde "omslag van de scheppende rede" [2] een duidelijke breuk geslagen in de Europese cultuur en traditie, onder meer door het trauma van de Eerste Wereldoorlog die een grote wond had veroorzaakt in de Europese ziel. Hierdoor konden denkstromingen als existentialisme en decisionisme diep doordringen in het gapende gat dat was ontstaan in de continuïteit van de Europese cultuur.

Het meest opmerkelijke is echter dat er in het citaat van de Amerikaanse paleoconservatief Thomas Fleming, een bezwaar wordt gemaakt tegen het "multiculturalisme". Voor veel Europeanen klinkt dit bezwaar bizar in de oren, evenals in de oren van vele "liberale" (progressieve) en neoconservatieve Amerikanen. Is een Amerikaan met Europese wortels niet het toonbeeld van multiculturalisme? En komt hij voort uit een hele zwik verschillende culturen, terwijl hij indringer is geweest in een autochtone Indiaanse beschaving? En is de Amerikaanse geest niet doordrenkt met Verlichtingsdenken dat zich uitte in denkcategorieën als ontwikkeling, vooruitgang en modernisering? [3]

Het is echter deze typering van de Amerikaanse cultuur geweest die niet zozeer aangaf wat de werkelijke cultuur van dit land was en wat de specifieke Amerikaanse cultuur oversteeg, maar die slechts liet zien hoezeer de intellectuele elite van zowel Amerika als van Europa zelf in Verlichtingstermen haar eigen beeld oplegde aan dit land, en daaraan de identiteit van Europa spiegelde. Deze houdgreep van liberalisme en Verlichting heeft lange tijd het werkelijke Amerika toegesloten en afgedekt en zelfs deels langzamerhand naar dit Verlichtingsbeeld toe getransformeerd. Want door zichzelf consequent twee eeuwen lang als liberaal te zien, werden ook antiliberale mensen na twee eeuwen vanzelf "liberaal"; wie zijn werkelijke wortels maar lang genoeg negeert en vergeet, raakt vanzelf los.

Het Amerikaanse paleoconservatisme, onder meer van de hierboven geciteerde Thomas Fleming, grijpt daarentegen consequent terug op prerevolutionaire en pre-Rousseauaanse opvattingen. Sinds de Verlichting, "Rousseau" en de Revolutie vatte in het Westen de opvatting post, als zou elke cultuur een toegesloten culturele en etnische eenheid zijn met separate gewoontes, religies en lichamelijke kenmerken. Wie consequent zo doorredeneert ziet dan vanzelf onoverbrugbare kloven tussen Europeaans en Indiaans of tussen "Brits" en "Duits". En onze tijd laat zien waar dit Verlichtingsdenken toe heeft geleid: tot een relativering van alles tot folkloristische eigenaardigheden en het grijpen naar "overstijgende" identiteiten die (direct) aan Verlichting en Modernisme zijn ontleend. Waar alles privaat is gemaakt, kan ieder zijn eigenaardigheid koesteren. Tenminste, zo lijkt het.

Het probleem is echter dat de Verlichte cultuur elke eigenaardigheid totaal vrij ziet van elke waarde en zich uiteindelijk zelfs ontwikkelt tot een systeem dat vijandig staat ten opzichte van elke specifieke culturele, religieuze en traditionele of etnische waarde. In onze tijd laten auteurs als Benjamin Barber en Paul Cliteur [4] zien dat het Verlichtingsdenken zich juist keert tegen elke vorm van relativisme door juist de "fundamentele Westerse (lees: Verlichte) waarden" als universeel en onopgeefbaar te zien. Tegenover islam en fundamentalisme stelt men geen relativisme, maar een universeel Westerse cultuur die weinig meer is dan een optelsom van een selectie van geschriften uit Klassieken, Humanisme, Verlichting en Modernisme.

Paleoconservatieven doorbreken deze schijntegenstelling. De werkelijke Clash of Civilizations is niet zozeer die tussen Islam en Westen, zoals de conservatieve "democratische" (!) Amerikaan Samuel Huntington enkele jaren geleden stelde in zijn gelijknamige bestseller [5], maar is een "clash" tussen een Westen dat zich als moderne, mondiale, liberale, globalistische en post-Verlichtingsbepaalde McWorld presenteert enerzijds en een Westen dat zich als continue Avondlandcultuur ziet anderzijds. Deze laatste "cultuur" ziet het universele waarin het Westen "superieur" zou zijn in iedere cultuur: van de Indiaanse tot de Taoïstische en van de Romeinse Republiek tot de Joodse cultuur. De Verlichting verbindt het universele aan abstracte waarden, het paleoconservatisme ziet het universele aanwezig in iedere concrete cultuur. In zijn The Morality of Everyday Life en Politics of the Human Nature verwijst Thomas Fleming daarom met even groot gemak naar Griekse bronnen als naar Indiaanse gebruiken [6].

De paleoconservatieve insteek is dezelfde als die van het Oude Europa die mensen niet zag als totaal verschillende etniciteiten waar een abstract substraat aan kon worden ontleend, maar daarentegen zag als universeel één in afkomst en natuur, maar fundamenteel verscheiden in cultuur en samenlevingsverband (bijv. volk). Zo zag Joseph de Maistre, in tegenstelling tot de Verlichtingsdenkers, weliswaar geen "de Mens", maar alleen Fransen, Duitsers en (zo had Montesqieu hem "geleerd") Perzen, maar "nog nooit had hij een mens ontmoet". Toch bestreed ook dezelfde De Maistre dezelfde Verlichtingsdenkers door te wijzen op de universele oorsprong en natuur van de mens zonder daar echter een natuurtoestand in te zien [7].


De voortzetting van het "Old Europe" in de VS

Deze denkwijze van het Oude Europa is dus in de periode rond Interbellum en WO II finaal afgebroken. Merkwaardigerwijs werd de cultuur van het Oude Europa echter wel voortgezet, maar dan wel in het zo ogenschijnlijke liberale Amerika. De wijze waarop dit gebeurde was nog niet meteen duidelijk, maar achteraf buitelen de voorbeelden van deze voortzetting over elkaar heen.

Zo ook de volgende gebeurtenis. De Duitse staatsrechtgeleerde Carl Joachim Friedrich aanvaardde in 1936 een benoeming aan de Harvard University als hoogleraar in dienst van de Department of Government. Tijdens deze periode deed hij een wel heel merkwaardige vondst: het belang van een politiek meesterwerk dat in de vergetelheid was geraakt: de Politica van de zeventiende-eeuwse Duitser Johannes Althusius. Friedrich verzorgde de nieuwe uitgave in het Latijn en schreef er een voorwoord voor. Of Friedrich er zich van bewust was dat zijn keuze zo afwijkend was, weten we niet; het gebeurde: Althusius werd herontdekt om tot op de dag van vandaag onderdeel te zijn van de Amerikaanse paleoconservatieve traditie.

Op het moment dat vele Europese staatsrechtgeleerden tijdens het Interbellum, men denke aan Carl Schmitt en Hans Kelsen, de staatsrechtsideeën van Thomas Hobbes herontdekten, kwam Friedrich met een opponent van Hobbes in aanraking: Althusius. Terwijl Hobbes een voluntaristische i.c. decisionistische politiek voorstond in het teken van macht, beheersing en – vooral – de soevereine eenheidsstaat, ging Althusius uit van totaal andere principes: denkend vanuit de familie en de verbanden die daaruit voortkomen, en geheel in de lijn met confederale opvattingen uit de Middeleeuwen en de Spaanse school van Salamanca, hanteerde Althusius de idee van de beperkte staat die gedragen werd door de basis van verbanden als familie, stad, kerk of gilde die in sommige gevallen zelfs het recht op secessie hadden - iets waar Hobbes van zou gruwen.

Terwijl de herontdekking van Hobbes doorwerkte in de machtspolitiek van Nazi-Duitsland, vond Friedrich de werkelijkheid van het Oude Duitsland - het Oude Europa - terug in de Verenigde Staten (afgezien van zijn interpretatie van Althusius, maar dit terzijde). Het was dan ook niet toevallig dat na het einde van de Tweede Wereldoorlog Carl Joachim Friedrich naar Duitsland terughaalde om mee te werken aan de denazificering en de staatkundige opbouw van de Bondsrepubliek Duitsland – die ironischerwijs werd gemodelleerd naar “Amerikaans” model. Op gelijke wijze deden de ideeën van een bekende van Friedrich: Wilhelm Röpke, zijn uitwerking in de economische wederopbouw van West-Duitsland onder Ludwig Erhard en Konrad Adenauer. Deze laatste van de “klassieke” economen dacht op economisch vlak “confederaal”. Niet de techniek, de economie of de wetenschap stonden bij Röpke voorop, maar de mens, zijn gemeenschap, de kleinschalige levensverbanden, het geloof en de traditie

De verhalen van Carl Joachim Friedrich en Wilhelm Röpke staan niet op zichzelf. Amerika herbergde tijdens het Interbellum talloze gevluchte en geëmigreerde Europese denkers die protesteerden tegen het opkomende historicisme, existentialisme en decisionisme. Deze mensen raakten onder meer door de dreiging van het opkomende Nazisme in Duitsland en door de intellectuele en culturele malaise in Oostenrijk ten gevolge van de identiteitscrisis na het debacle van WO I en het uiteenvallen van de Donaumonarchie daarna, in de Verenigde Staten verzeild. Weer anderen bleven weliswaar in Europa, maar zagen na de Tweede Wereldoorlog hun leerlingen in de VS opstaan, en niet in het Oude Europa. Het is de ironie van de geschiedenis geweest dat het Oude Europa in de VS werd voortgezet. Hadden vele Europese intellectuelen, ook conservatieve, zich niet voortdurend denigrerend uitgelaten over dit liberale land? Zoals Johan Huizinga, Menno ter Braak, Groen van Prinsterer in Nederland. Maar ook Graf Hermann Keyserling en Martin Heidegger in Duitsland. De laatste sprak zelfs over het ontologische probleem Amerika.

Maar de namen en de bewijzen zijn dermate overvloedig dat er iets beschamends zit in het anti-Amerikanisme van genoemde lieden. Iemand die het bijvoorbeeld al op jonge leeftijd opnam tegen de hierboven genoemde Heidegger, Leo Strauss, raakte weliswaar volkomen vergeten in Europa, maar maakte school in de VS. Hetzelfde gold voor Eric Voegelin, of zelfs voor een Nicolai Hartmann die nota bene niet was gevlucht, maar toch de vergetelheid ingleed onder de stormram van het opkomende existentialisme, maar waarvan zijn drie-delige hoofdwerk over ethiek in een Engelse vertaling (nota bene van de Nederlandse dr. Andreas Kinneging!) opnieuw in Amerika is uitgegeven.

De lijst kan met talloze namen worden aangevuld: Wilhelm Röpke vluchtte naar Zwitserland en raakte via contacten rond de Oostenrijkse School (via de Mont Pelerin Society) en later met een blad als Modern Age blijvend bekend in de VS, terwijl hij vergeten raakte in Europa. Hetzelfde geldt voor de socioloog Helmut Schoeck, de dwarse politieke denker Erik Ritter von Kuehnelt Leddinh (via William Buckley van National Review), mannen als John Lukacs, Thomas Molnar (opvallenderwijze beide van Hongaarse oorsprong) en Jacques Barzun. Een theoloog als Emil Brunner die onder het theologische geweld van Karl Barth en Rudolf Bultmann, ondanks zijn gezonde politieke houding en zijn praktische insteek bij ons niet meer gelezen wordt, maar wel in de kringen rond het Amerikaanse Acton Intitute, net als oudere figuren als de Britse kardinaal John Henry Newman en de Nederlandse theoloog-staatsman Abraham Kuyper. Verder denken we aan de Franse conservatief-liberaal Alexis de Tocqueville en, niet te vergeten, Edmund Burke die vooral door de stichter van Modern Age, Russell Kirk, blijvend een voet aan de grond kreeg in het voorheen als liberaal gedoodverfde Amerika.

Neoconservatieve onwetendheid en een dubbele ironie

Tijdens de zogenaamde "Tweede Golfoorlog" pleegden neoconservatieven als Donald Rumsfeld en Dick Cheney zich wel eens denigrerend uit te laten over het "Old Europe". Daarmee bedoelden ze de houding van landen als Duitsland en Frankrijk die niet mee wilden gaan in het voortschrijdende inzicht inzake veiligheid en vrede op deze wereld. De ironie is echter juist dat het "Old Europe" gezocht moet worden in de Verenigde Staten zelf. In Europa heersen Hobbes, Kant en Rousseau – zoals politieke denkers als Robert Kagan en Arend Jan Boekestijn ons hebben aangetoond. En in de Verenigde Staten ook, bijvoorbeeld bij de neoconservatieven zelf, getuige de geschriften van onder meer Felix Morley, Robert D. Kaplan en Claes G. Ryn. Maar in tegenstelling met Europa is het in de Verenigde Staten geen Reinkultur van Verlichtingsdenken en (neo-)Jacobinisme. Naast de erfenis van Verlichting en Revolutie, is het ook de erfenis van het Old Europe, van Althusius, Montesqieu, Augustinus en Aquino, die is voortgezet in de Verenigde Staten zelf.

Maar de voortzetting van het “Old Europe” in de VS is niet de enige ironie die de geschiedenis in dezen kent. Even ironisch als de voortzetting van de ideeën van hen die Amerika verafschuwden in datzelfde land, is het verhaal rond het “succes” van deze “Oude Europeanen” in dit land. Dat veel Europeanen in de VS terechtkwamen is makkelijk te verklaren: door de opkomst van het Nazisme en de teloorgang van diverse Europese culturen, met name die van de Donaumonarchie. Maar minder bekend is de verklaring van het feit dat wetenschappers als Heinrich A. Rommen en Carl J. Friedrich zoveel weerklank hadden en hebben in dit “land van onbegrensde mogelijkheden”.

De komst van veel Europeanen in de VS viel samen met de New Deal van F.D. Roosevelt. Dit beleid van Roosevelt was er op gericht om alle Amerikanen erbij te laten horen. Ook alle groeperingen die tot dan toe in de periferie van de officiele Amerikaanse cultuur hadden geleefd. Deze hoofdstroom was tot dan toe te beschrijven als Wasp (White Anglo-Saxon Protestant), Episcopaals en “New England” i.c. “North-East”. Tot aan de Eerste Wereldoorlog was deze hoofdstroomcultuur nog geheel op Europa gericht geweest. Sinds – en door – deze oorlog zou dat veranderen. De bonte mengeling van seculier-protestants democratisch messianisme (“to make the world safe for democracy” – Wilson) en kapitalisme bracht na het echec van doorgeslagen kapitalisme (de beurskrach in 1929) nog eenmaal een oude familie naar voren die met een schijn van klassiek vaderschap het land wilde transformeren: Franklin Delano Roosevelt. Zijn politiek van New Deal emancipeerde en mobiliseerde zowel Ieren als andere Rooms-katholieken, en verder mensen uit het Zuiden, het Westen en het Midden van de VS.

Met de New Deal zaagde Roosevelt echter aan de poten van zijn eigen stoel; het waren juist de door hem, van zichzelf bewust gemaakte, perifere groepen die vanaf dat moment de culturele hegemonie van de seculier-protestants liberale New England cultuur zouden doorbreken. De gevolgen lieten niet lang op zich wachten. De geëmancipeerde grassrootsconservatieven uit de Heartland, die tot die tijd in het geheel zichzelf niet als “conservatieven” zagen, waren een dankbare voedingsbodem voor de opkomst van een beweging die de eigen wortels koesterde, en die later – na Joseph McCartey en Barry Goldwater - als “conservatief” kon worden benoemd. Tal van “leiders” kwamen boven drijven: William Buckley, Russell Kirk en de legendarische “Soutern Agrarian” Richard M. Weaver die door sommigen wel als de Amerikaanse Joseph de Maistre kan worden gekenschetst. Tegelijkertijd ontstond er een hernieuwde aandacht voor klassieke onderwijssystemen, die het tegen moderne ideeën van onder meer John Dewey op konden nemen, zoals het Middeleeuwse Trivium, in zelfstandige Colleges of Art en andere privé-instellingen.

De vraag is nu: is wat in de Verenigde Staten is gebeurd, ook mogelijk in Europa, en in ons geval: in Nederland? En als het mogelijk mocht zijn om zoiets in gang te zetten, zegt dat dan iets over het “succes”? Want ook in de Verenigde Staten was en is het Verlichtingsmodernisme de hoofdstroomcultuur, ook bij de neoconservatieven van Bush Jr. c.s. Sommigen zijn geneigd om de eerste vraag – en daarmee de tweede – te ontkennen. Volgens hen is de situatie in Amerika niet te vergelijken vanwege het minder geseculariseerde karakter van dit land, in vergelijking met Europa. Dit punt moge waar zijn, maar het kenmerkende van het paleoconservatisme is juist dat het weliswaar een sterke orthodox joods-christelijke pijler heeft, maar tegelijkertijd niet uitsluitend joods-christelijk is. Amerika laat ons ook zien dat christendom geen garantie is voor stevig conservatief denken; het zijn niet in de laatste plaats veel evangelicals [8] die de Verlichtingspolitiek van George W. Bush Jr. en de zijnen steunen!

De paleoconservatieve paradox

Het paradoxale dat in de oproep om een paleoconservatieve beweging in Nederland ligt, is echter dat het niet alleen en zelfs niet zozeer de spiegelfunctie van de Amerikaanse paleoconservatieven is die ons ten voorbeeld kan stellen - deze reden zou gemakkelijk weerlegd kunnen worden met een beroep op het verschil tussen beide landen, Nederland en de Verenigde Staten. Nee, het paradoxale is juist dat het niet zozeer het voorbeeld is dat ons verder kan helpen, maar dat het paleoconservatieve "denkraamwerk" wel eens de enige mogelijkheid zou kunnen zijn om het Europese i.c. Nederlandse klassieke en rechtse denken uit het slop te halen.

Meer nog dan in de Verenigde Staten zijn bij ons de klassieke kanalen verworden of afgevallen van hun taak: de Kerk, de Academie, de Elite, de Monarchie en de Opinieleiders. Veel oude stromingen als christendom en liberalisme zijn verworden tot zichzelf: loutere opeenhopingen van bijzondere uit elk verband gerukte samenraapsels zonder enige affiniteit met historische, constitutionele en natuurlijke fundamenten. Op elke denkstroming en op elk instituut zou een hyperkritiek op zichzelf van toepassing kunnen zijn: in hoeverre heeft het hyperchristelijke karakter van veel christelijke instelling niet juist de identiteit (christelijke identiteit) vernietigd? En vergelijkbare vragen zouden te stellen zijn in de richting van bijvoorbeeld een denkstroom als het liberalisme, of aan instellingen als bijvoorbeeld de monarchie, de politieke partij of aan de rechtsstaat.

Zonder de leerstellige zijde van bijvoorbeeld het christendom ook maar enigszins aan te willen vallen (integendeel), dienen we toch vast te stellen dat het christendom als historisch concrete manifestatie niet meer voldoet om als basis te dienen voor een restauratie van de oude orde. Juist het christendom is bezig met zichzelf af te rekenen, zoals Joop den Uyl eens scherpzinnig opmerkte [9]. Juist het christendom zelf is de grootste bedreiging voor zaken als het gezag van de Bijbel en van de dogma's van haar geloof.

Zoals gezegd, geldt wat voor het christendom geldt ook voor andere stromingen en geldt het zelfs voor de instellingen op bijvoorbeeld staatkundig vlak. Want is een denken dat bijvoorbeeld het democratisch stelstel - als algemeen aanvaarde common sense in onze cultuur - als verondersteld fundament hanteert nog wel in staat zichzelf te verstaan? Verklaart zo'n denken niet datgene wat los is gemaakt van ieder fundament tot fundament zelf? En leidt bijvoorbeeld een democratisch denken, zoals de Russische schrijver Berdjajev zegt, niet tot honger naar de aantallen, en degradeert het de waarheid niet naar een zaak van het getal? Alsof iets meer waar is als er meer mensen achter staan?

Wanneer iemand in staat is abstracte constructies zoals democratie als fundamenten voor zijn eigen denken op staatkundig en ander vlak te hanteren, dan is zo'n persoon niet zozeer een potentiële bondgenoot van iedere rechtgeaarde klassieke mens - want een fundamenteel denker - maar eerder een gevaar voor zichzelf en voor zijn omgeving. Wie zijn moraal laat afhangen van "de loterij van de stembus" (Jorge Luis Borges) heeft namelijk zelf geen moraal. En als iedereen zo denkt is er geen moraal meer, maar alleen een willekeurig proces dat mensen "moreel" in een bepaalde procesmatige richting duwt. Men denke hier aan bepaalde wetenschappelijke ontwikkelingen zoals bijvoorbeeld inzake de eugenetica.

Nu bevinden we ons in een cultuur waarin het geschetste gevaarlijke menstype de touwtjes in handen heeft. Zelfs de meeste traditionele, christelijke en klassieke mensen hebben in de wortel van hun denken een tik meegekregen. Zelfs als zo iemand op de meest rechtzinnige wijze verklaart dat hij of zij een christen (of een conservatief) is, dan nog beseft deze mens niet dat hij of zij totaal iets anders bedoelt: een verchristelijking (of conservering) van datgene dat zich juist van het christelijke (of pre-conservatieve) heeft losgemaakt.

Het paleoconservatieve alternatief

Als zoveel voor de hand liggende wegen falen en ons voortdurend teleurstellen, kunnen we dan stellen dat het paleoconservatisme ons wèl de verborgen, vergeten en verworpen wegen toont om ons in de huidige malaise staande te blijven? Reikt zij dan wel een gefundeerde, realistische en gerechtvaardigde (!) hoop aan om te kunnen blijven koesteren? Tot herstel van de oude orde? Wij menen van wel. De analyse die verder reikt dan de gegevenheden, en een methode die inzet buiten de gevestigde structuren (niet orde!) van partijen en academies om; met andere woorden: de insteek bij de puinhopen van een verwoeste en vermolmde cultuur, gepaard gaande met het aanvaarden van het verliezerschap zonder het karakter van strijdbaarheid te verliezen, maken dat het paleoconservatisme een spiegel voor ons is.

Juist de Amerikaanse tegenstelling paleoconservatief versus neoconservatief laat treffend een andere tegenstelling zien: die tussen het Oude en het Nieuwe Europa. Juist in deze tegenstelling zien we de verwordenheid van de Europese cultuur. De onverwoestbare cultuur van het Europa van voor 1914 [10] hebben wij verwoest en gedegenereerd tot iets weerzinwekkends. Tot een cultuur waarin we trots zijn op de vrijheid om met een opzichtige SUV onze wekelijkse boodschappen te doen en met een terreinwagen onze hond uit te laten, terwijl we in een handomdraai in staat zijn de eigen kinderen in de steek te laten voor een zoveelste "authentieke, echte liefde" opgedaan in een ranzige club. Een cultuur waarin we onze oudjes laten wegrotten en in staat zijn ons potentiële nageslacht te aborteren, maar ondertussen weg te zwijmelen bij de aankoop van een felbegeerd plasmascherm?

De vraag in hoeverre wij in Europa nog verbonden zijn met de wortels en de bodem van het Oude Europa wordt zichtbaar gemaakt in de Verenigde Staten van Amerika. Het weerzinwekkende neoconservatisme als perversie van de Westerse cultuur staat daar lijnrecht tegenover het echte leven: dat wat de paleoconservatieven koesteren. In het beeld van het neoconservatisme zien we wat wij worden als we doorgaan op dezelfde weg: managers en ambtenaren die jongens naar het slagveld sturen om "te sterven voor een goede zaak die ze niet begrijpen" terwijl onze kinderen "gelukkig" een andere "carrière" hebben "gekozen".

De Amerikaanse paleoconservatief stelt ons de vraag of wij nog wel vertrouwen op dat wat we zijn en dat wat we hebben: karakter, historie, cultuur, geloof, familie, gemeenschap en grond? Deze stelt ons de vraag in hoeverre wij nog ons vertrouwen stellen op de dingen die echt zijn, en niet op wankele bondgenoten van klassiek-liberale en neoconservatieve snit? De paleoconservatief bepaalt ons bij de vraag hoe vaak wij niet het initiatief uit handen hebben gegeven aan deze onbetrouwbare mensen, om daardoor een grondhouding te hebben aangeleerd van een "tweederangsburger" te zijn die een "minoriteitspositie" inneemt?

Het Amerikaanse paleoconservatisme kan worden beschouwd als het zichzelf opnieuw gedefinieerde conservatisme ten overstaan van een neoconservatieve hoofdstroom. Maar het is meer dan dat. Was de Old Right nog gefocust op het conserveren van oude waarden en het richten op een burgermansmoraal waarin kapitalisme, isolationisme en christendom belangrijke componenten waren, het Paleoconservatisme kan niet simpelweg worden gezien als een voortzetting van deze Old Right. De voortschrijdende tijd heeft het problematische karakter van veel zaken doen laten zien. Kapitalisme, christendom en burgerlijke moraal bleken niet bestand tegen de vloedgolven van de Nieuwe Tijd. Zelfs kan en moet worden gesteld dat genoemde zaken wel eens mede de oorzaak zijn geweest van de grote culturele, sociaal-economische en religieuze malaise waarin onze Westerse cultuur zich bevindt.

Cultuur

De middelen om zich te verweren tegen de culturele hoofdstroom van liberalisme, globalisme en moreel relativisme zijn uitermate schaars. Niet alleen in de Verenigde Staten zijn de academies toegesloten voor rechtse, conservatieve en "paleo" krachten, ook in landen als Groot-Brittannië is dat het geval. Illustratief is de emigratie van de Engelse conservatief Roger Scruton naar Virginia om daar boer te worden en die van Theodor Dalrymple naar het platteland van Frankrijk "omdat daar alles twintig jaar later gebeurt". In diens America the Virtuous pleit de amerikaans-Zweedse (Rooms-katholieke) traditioneel-conservatieve Claes G. Ryn dan ook niet voor niets voor aandacht voor deze zwakke plek van het conservatisme. De geschiedenis leert volgens hem dat cultuur niet en niet uitsluitend door grassroots kan worden gedragen; instituties zijn van levensbelang.

Daarmee denigreert Claes G. Ryn niet deze grassroots. Deze vormen de preconditie om tot sterke instituties te komen. Familie, grond (property), buurt, wapenbezit, gemeenschap, werk en geloof zijn noodzakelijke voorwaarden om tot gezonde, krachtige en sterke zelfredzame gemeenschapsmensen te komen. Maar al deze sterke en goede zaken zijn ontoereikend om zichzelf in stand te houden. Zonder instituties als "Recht", "Academie", "Elite", "Kerk" en "Huwelijk" vallen alle goede zaken ten prooi aan de ongebreidelde zelfzucht van mensen die juist door neoconservatieven en klassiek-liberalen de motor is van hun denken en hun maatschappijvisie.

Nu kan de traditionele Amerikaanse conservatief Claes G. Ryn kan dan wel pleiten voor een herovering van de universiteiten omdat een cultuur van grassrootsconservatism zich nooit kan handhaven zonder de academie; maar zie er maar eens tussen te komen. Niet alleen is de academie toegesloten, ook de inhoud van de wetenschap is verschoven. Niet meer bepaalt de houding van onderdanigheid aan Traditie en Wijsheid en de dienstbaarheid aan land, volk, geloof en zeden haar houding. Daarvoor in de plaats is er een abstract, onpersoonlijk door management en sciëntisme bepaalde houding die de moderne wetenschap beheerst. Zij het hoogstens aangevuld met een kleine tot fikse dosis engagement of spirituele bevlogenheid. De houding van onbevooroordeeldheid, maakbaarheid en falsificeerbaarheid heeft de wetenschap tot op het bot vervreemd van het paleoconservatieve ideaal.

Dit ideaal is namelijk geen ideaal in de moderne zin des woords, maar is een nastreven van de werkelijkheid zoals die is, in de kennis dat we deze werkelijkheid toegesloten hebben. Altijd hanteert de paleoconservatief het "primum vivere, deinde philosophari" - "eerst het leven, dan de filosofie" [11]. De paleoconservatief hanteert dit adagium zowel inzake de wetenschap, de theologie als de politiek. Gewoonte, traditie, common sense en common beliefs hebben het primaat. Alles wat daarbij komt, zoals bijvoorbeeld wetenschap en cultuur, is begrensd en heeft slechts een beperkte waarde: ter versterking van het reeds bestaande en nooit (!) ter maakbaarheid van een betere samenleving.

Wie neoconservatief of klassiek-liberaal is, is al gauw een witte raaf op de academie - men denke aan hoogleraren als Afshin Ellian en Paul Cliteur - maar ook deze witte raven blijken al snel tegenstanders te zijn van elke rechtgeaarde paleoconservatief. Claes G. Ryn zei over de vergelijkbare Amerikaanse situatie dat op een liberale universiteit een neoconservatieve professor al gauw een hoopvol conservatief geluid lijkt te vertolken, maar wie beter luistert, hoort niet zozeer een conservatief geluid dat terug wil keren naar de orde, maar een geluid dat de zogenaamde verworvenheden van de Verlichting wil verdedigen tegen postmodern relativisme en contraproductief traditionalisme. Slechts op de kleine, zelfstandige, vaak private onderwijsinstellingen bestaat in de VS de kans een werkelijk conservatief geluid op te vangen.

De situatie in Nederland

In een land als Nederland is, zoals gezegd, de situatie nog minder rooskleurig dan in de Verenigde Staten. Het complex van MPP (Monarchie en Politieke Partijen), Wetenschap en Cultuur, Economie en Media is een groot amalgaam van verdediging van de sociaal-democratische verwerking van de Verlichtingserfenis met onder de postmoderne façade een harde libertijnse ondergrond. Wie goed naar Hirsi Ali, minister Verdonk en Frits Bolkestein luistert, proeft de mix van humanisme en Verlichting met in het "gunstigste" geval nog zoiets als een "Klassieke" component, zoals bij Frits Bolkestein [12].

De sociaal-economische instellingen worden bepaald door het product van het onderwijs van de afgelopen decennia. Dit onderwijs heeft op grote schaal een "managerial" type mensen [13] - procesdenkers - afgeleverd die vervreemd opereren van product, bedrijf, medewerkers, vestigingsplaats en sociaal-cultureel-religieuze context. Hier doemt onontkoombaar het beeld op van de moderne onderwijsinstellingen als ontwortelingsfabrieken in onze cultuur.

Het moderne onderwijssysteem stimuleert een gespletenheid in de mensen tussen publiek en privé, tussen markt en privé en tussen instrumenteel denken en opereren enerzijds en anderzijds de bewogenheid i.c. het engagement dat zich uit in giften aan rampgebieden, verantwoord ondernemerschap en dergelijke. Dit dualisme is de erfenis van de moderniteit (o.m. Hegel), en het is dit dualisme dat elke vorm van "neo-denken" - hetzij neoconservatief, hetzij neo-orthodox - zo ongrijpbaar maakt. De hoop, de moraal en de perspectieven "functioneren" wel, in die zin dat ze worden uitgesproken en dat er iets mee gedaan wordt, maar het is niet per definitie (!) op "concrete" situaties gebaseerd c.q. vastgeklonken met deze concrete situaties.

Politiek kan deze ongefundeerde hoopvolle wijze van overleven gestalte krijgen in een partijpolitieke vorm, religieus kan het vorm krijgen in een geloofsgemeenschap of kerkformatie. Het ongrijpbare "neo"-denken vereenzelvigt de werkelijkheid met de overlevingsconstructies die het mogelijk maken op de been te blijven in een postrevolutionair en post-Verlichtingstijdperk. Aan deze mensen heb je iets zolang het gaat om theoretische of academische discussies over persoonlijk aangehangen en doorleefde waarden, maar in een oorlog - of culture-war zoals in de VS - heb je niets aan deze neo's: men staat pal voor eigen onderwerping en is flink het erop uit sturen van troepen naar Afghanistan of Irak, maar de juwelier die met zijn eigen wapen een roofovervaller neerschiet, wordt door hen zonder pardon aan het kruishout genageld: het "recht" moet immers zegevieren.

Religie

Koenraad Elst slaat de spijker op de kop wanneer hij bij de paleoconservatieven constateert dat deze de mythe van de Evangelical Movement doorprikken als een religieus fenomeen dat doorspekt is met entertainment en poppsychologie, maar ondertussen een knieval maakt voor links; Koenraad Elst: "de Christian Coalition loopt braaf in de linkse pas inzake de talloze controverses over immigratie, sociale zekerheid, ras en multicultuur" [14]. Sommige paleoconservatieven, zoals Joe Sobran en Thomas Fleming zijn daarom overgestapt naar het Rooms-katholieke kerk, om binnen deze kerk te pleiten voor de Latijnse mis, de Traditie en de lex naturalis, anderen gaan verder terug in de traditie en worden Oosters-orthodox. Nog weer anderen, zoals Samuel Francis, plaatsen vraagtekens bij het christendom zelf, door te stellen dat het christendom eeuwenlang de westerse samenleving geschraagd heeft, maar dat het in de twintigste eeuw een factor van ontbinding en afbraak geworden is, dat bij Europeanen alle zelfrespect en zelfverdediging afkeurt [15].

De onderhuidse ontwikkelingen in de Verenigde Staten om tegen de stroom van mega-churches en charismatisch christendom zich opnieuw te oriënteren op oude liturgieën, Oosterse Orthodoxie en (binnen de Southern Baptists) op het Calvinisme, mag opmerkelijk genoemd worden. Met name de paleoconservatieve houding van mensen als Fleming en Sobran doorkruist de algemene opvatting dat christenen slechts zouden moeten kijken of de boodschap in de kerk overeen komt met die in de Bijbel en door eigen geloof en ervaring bevestigt wordt. De paleoconservatieve gelovigen laten zien dat het oude christendom niet "los verkrijgbaar" is, maar een organische samenhang van leven, traditie, gemeenschap, historie en geloof en openbaring. En waar men in Europa haast alle "staats-" en "landskerken" heeft ontmanteld, zijn er in de Verenigde Staten dus christenen die ingaan tegen de eigen zogenaamde traditie van "free churches".

De kritiek van diverse paleoconservatieven snijdt pijnlijk diep in het vlees van het Europese christendom dat nog verwordener is dan het Amerikaanse. Kun je in de Verenigde Staten nog binnen een Rooms-katholieke Kerk pleiten voor terugkeer naar de Traditie en kun je in dat land nog lid worden van een vitale Oosters-orthodoxe kerk, in Europa - en met name in Nederland - zijn deze keuzemogelijkheden totaal afwezig. De Oosterse orthodoxie stelt weinig tot niets voor, en de grote kerken, Rooms-katholiek en protestants, zijn verworden tot ontmoetingsplaatsen van losgeslagen vrouwen, homoseksuelen en allochtonen, met hier en daar wat eilandjes van wereldvreemde spiritualisten die vol bewogenheid omzien naar asielzoekers en andere verschoppelingen, maar ondertussen een stille haat i.c. minachting koesteren voor al het gezonde mannelijke, traditionele vrouwelijke en sterke natuurlijke van de oude, klassieke mens.

Normale mensen - normale mannen en vrouwen - horen niet thuis in de huidige Nederlandse kerken, laat staan mensen die tot paleoconservatieve inzichten zijn gekomen. Dat zelfrespect en zelfverdediging in de Nederlandse kerken niet tot nauwelijks te vinden zijn is met name beschamend vanwege het feit dat in ons land de kerk historisch verbonden is en is geweest met het ontstaan van ons land en de grondslag ervan. En deze zaken zijn niet gebeurd buiten zelfverdediging en zelfrespect om. De kerk heeft zich dus niet zozeer afzijdig gehouden van het ruigere reilen en zeilen van ons land, maar ze heeft zich er doelbewust van afgekeerd.

Maar zoals zelfs een Samuel Francis zich, ondanks zijn scepsis ten aanzien van het christendom, niet los kon maken van zijn trots op zijn Schots-Ierse puriteinse voorouders [16], zo schuilt zelfs achter de verwerping van het christendom door sommige paleoconservatieven juist een dubbelzinnig liefde tot datgene wat volgens de christenen weliswaar niet (meer) christelijk genoemd mag worden, maar dat wel onmiskenbaar verknocht en verbonden is geweest met het werkelijke historische en concrete christendom.

En wij dan?

De aandacht voor paleoconservatisme in de Verenigde Staten is voor ons geen doel op zich. Wij zijn geen Amerikanen, maar Europeanen. Wij leren niet alleen van wat zij "goed" hebben gedaan, of van wat van onze Oud-Europese erfenis daar bewaard is gebleven, wij zien ook hun fouten. En dit laatste ondanks alle fouten die we bij onszelf zien. Juist onze fouten kunnen het ons mogelijk maken ook die van hen te zien. Door te leren van de verwoestende werking van het Europese imperialisme in de geschiedenis, kunnen we ook lessen trekken met betrekking tot het Amerikaanse imperialisme van dit moment.

Ondanks dat Amerika volgens een Martin Heidegger een ontologisch probleem is, is het misschien wel juist dit land dat nog iets toont van de diepere lagen van het Oude Europa: Christendom, Teutonendom en klassieke inzichten. Iemand die deze verschillende bronnen goed in kaart heeft gebracht, is Russell Kirk in zijn The Roots of American Order, waarin hij onder meer spreekt over de Anglo-Saxon inbreng in de Amerikaanse cultuur (London), naast die van "Rome", "Jeruzalem" en "Philadelphia" [17].

Zonder op deze plek en in dit stadium ook maar enigszins uitputtend te willen zijn, wil ik toch enige punten weergeven waarin het paleoconservatisme wel eens van groot belang voor ons zou kunnen zijn:

1) De paleoconservatieve Kritiek op neoconservatisme en op het monsterverbond tussen religieus rechts en dit neoconservatisme leert ons iets zien van de aard van het neo-orthodoxe christendom dat - zonder dat iedereen zich daar zo bewust van is - heeft verwijderd van het christendom van voor de Verlichting.

2) Het paleoconservatisme kan ons leren het potentieel te ontdekken van een denken als onderstroom en fundament dat niet zozeer is gelegen in de bewuste en geuite opvattingen, maar in de minder snel aantastbare structuren in de natuur, de psyche, en - zelfs - het ontologische zoals de geschiedenis dat kan illustreren.

3) Het Amerikaanse paleoconservatisme stelt ons voor de vraag hoe "moderne" paganistische vormen van conservatisme, zoals het Frankfurter Schule-conservatisme, zich verhouden tot het "oude" en "klassieke" conservatisme.

4) Het paleoconservatisme leert ons zien dat het mogelijk is, en zelfs noodzakelijk, dat paleo-orthodoxen, paleo-libertariërs, Nouvelle Droite-geïnspireerde conservatieven en andere traditionalisten samenwerken en gezamenlijk tot een (intellectueel) front kunnen komen.

De taaie natuur

Met name het tweede punt is het waard om te benadrukken: de al dan niet taaie blijvende werkelijkheid van de natuur i.c. de orde. De twijfel aan de mogelijkheid de oude orde te herstellen, en zelfs het vermoeden dat de natuur wel eens niet zo onaantastbaar zou zijn als men in oudere tijden aannam, doet in onze tijd vele Europese conservatieven in de armen van libertarisch en neoconservatief (klassiek-liberaal) denken vluchten. C.S. Lewis, niet de eerste de beste, was het die openlijk twijfelde aan de onuitroeibare nature. En in ons land sprak enige tijd geleden de conservatief Bart Jan Spruyt woorden uit in gelijke strekking [18].

Men vergeet daarbij echter wel een paar belangrijke zaken:

- Onze tijd vraagt, in het licht van externe en interne dreigingen, de noodzaak van vitaliteit en viriliteit van de Westerse cultuur, en daarmee om een kracht tot verdediging die nu niet in voldoende mate voorhanden blijkt te zijn.
- Dat veel niet-conservatieven zoals Sloterdijk, maar ook in de ecologische beweging de weg terug tot achter het (post-)modernisme wel durven te maken.
- Dat we het ons niet kunnen veroorloven onze plaats in het leven, en daarmee onszelf, uit handen te geven aan de krachten van de moderniteit die er op uit zijn alles te vernietigen wat ons dierbaar en waardevol is. Men onderschat met andere woorden, het kwaad in de ander, in zichzelf en dat er is aangericht.
- De kennis die we hebben verhindert ons voor het overleven in plaats van het leven zelf te kiezen. En het verhindert ons te stoppen met het uitdragen van deze kennis.
- We zijn verantwoording schuldig over onze daden aan onze voorouders, aan onze kinderen, aan onszelf, aan God en aan de onwetenden.

In het licht van bovenstaande punten is het onbegrijpelijk dat mensen die voorheen conservatief en/of klassiek en/of orthodox denken of dachten het primaat van de werkelijkheid uit handen hebben gegeven aan het liberalisme en daarmee het initiatief van denken en handelen in onder meer politiek, cultuur en kerk.

Gegeven het feit dat haast alle orthodoxe, conservatieve en klassieke mensen, groeperingen en stromingen zich te hebben lijken neergelegd bij de liberale schijnwerkelijkheid, en daarmee de strijd hebben opgegeven, zullen er twee conclusies moeten worden getrokken. Ten eerste: de benodigde beweging zal een andere moeten zijn dan de huidige, bestaande bewegingen; ten tweede: de benodigde beweging zal een beweging moeten zijn die oog heeft voor de grondfouten van genoemde bewegingen. Ze zal de vraag ter hand moeten hebben genomen, waarom deze bewegingen van neo-orthodoxie, neoconservatisme en neo-realisme uitlopen op een houding van aanpassing en defaitisme en ze zal daarbij bovendien de vraag moeten stellen in hoeverre deze bewegingen - die toch eertijds de hoofdstroom in onze cultuur vormden! - zelf mede de oorzaak zijn geweest van de huidige culturele wantoestanden.

We hebben dus een beweging nodig in denken, filosoferen, theologiseren en politiek bedrijven teruggrijpt op presente reserves om deze te revitaliseren en te gebruiken, om de losgeslagen cultuur en samenleving weer te grondvesten. Een beweging die er niet voor terugschrikt en terugdeinst om zelfs in de meer vergeten, groezelige en achterlijke episodes en gewesten van de geschiedenis van het Westen te gaan zoeken naar vruchtbare bodem om zo de herontdekking van het eigene te bewerkstelligen.

De kracht van Europa ligt niet in nabootsing van de VS of van China, maar in de herontdekking van het eigene. De paleo's in de VS hebben dat meer door dan wij in Europa. Daarom weten de paleoconservatieven in de VS dat elk scharen onder een neoconservatief initiatief of een fideïstische variant funest is voor elke overlevingskans van het paleoconservatieve i.c. paleo-theologische i.c. paleo-ontologische denken. Dat geldt voor Amerika, maar dat geldt ook voor Europa in het algemeen en voor Nederland in het bijzonder.

Een Nederlands paleoconservatisme

De paleoconservatieve les uit Amerika leert ons veel dingen. We leren de noodzaak en het gemis van de academie. De teleurstellende houding van de orthodoxie en het besef niet zonder de joods-christelijke orthodoxie te kunnen. Maar ook: de noodzaak van een paleoconservatief gedachtegoed i.c. denken en tegelijkertijd een besef van een tekortschieten van denken en intellectueel bezig zijn vanwege het gevaar van intellectualisme, elitarisme en vermentalisering i.c. vergeestelijking i.c. abstrahering van concrete waarheden en daarmee van de concrete werkelijkheid.

Het is dus niet alleen van belang om de noodzakelijke ingrediënten van een paleoconseratief denken te inventariseren en te verwerken, al noemen we er wel enkele: christendom, natuur, orde, de Rijksgedachte op diverse niveaus, de confederaliteit op elk niveau en elk vlak van het (maatschappelijk) bestaan, etc. Deze thema's zullen op een later tijdstip en op een andere plek nader uitgewerkt moeten worden.

Belangrijker is de vraag hoe een paleoconservatieve beweging in Nederland ontkomt aan de valkuilen van groepsdenken, partijpolitiek, kerkpolitiek, individualisme, piëtisme, aanpassing en defaitisme. Op z'n minst is hiervoor nodig een voortdurende toetsing van het paleoconservatieve denken aan de concrete werkelijkheid zelf. Door een binding en voeling met de werkelijkheid zelf die aan het denken vooraf gaat, zal een paleoconservatief proberen het non-reflexieve non-mentale bestaan te bewaren en te koesteren. De gezonde denker leeft in een verwortelde gemeenschap waarin hij leeft zonder marginaal te zijn. Zonder parasiet, querulant of dilettant te zijn. De noodzaak van een verwortelde gemeenschap zegt nog niets over de mogelijkheid ervan in onze tijd en hoe zo'n gemeenschap moet worden "vormgegeven" zonder het organische, verwortelde karakter te verliezen of anderszins kwijt te raken door het te "verideologiseren".

Het beantwoorden van deze vragen zal uitmaken of een paleoconservatieve beweging in Nederland (en Europa) levensvatbaar is, en of we zullen overleven - het leven zelf zullen behouden! Een korte aanzet tot een praktische toepassing van de laatstgenoemde vragen is hieronder gegeven.

Praktisch

Zijn er nog van zulke reservaten of kluizenaars waar kunnen (van) we leren? Wij menen van wel. Sommige tegenstanders zijn voor een paleoconservatief leerzamer dan de meeste "medestanders". De grootste filoloog van onze tijd, De Duitse filosoof Peter Sloterdijk, is zo iemand. Als geen ander beschrijft hij de huidige werkelijkheid van immanentie en mobiliteit van binnenuit in werken als Eurotaoïsme en Sferen. Sloterdijk's inzichten bieden haast analoge oplossingen met die van het paleoconservatisme om de huidige cultuur van vernietiging van reserves en van de tijd zelf, te lijf te kunnen:

"Kritiek van de politieke kinetiek zal een werktitel zijn voor studies die verricht worden op een transfacultatieve postuniversitaire "hogeschool". Die kan haar colleges overal geven waar vragen gesteld moeten worden over de juistheid van bewegingen van mensen en systemen. Zoals alles universitairachtige structuren tot nu toe heeft ook de transfaculteit van het bewegingsbewustzijn een machtsneutraal gebied nodig waar de uitvoerende macht en de belangenvertegenwoordigers van de mobilisatoren niet mogen komen - dat is sinds de Middeleeuwen een zeer goede traditie om theorieën te beschermen. Maar omdat bijna elke nu bestaande universiteit op aarde zich heeft ontwikkeld tot vooropleiding van de mobilisatie en tot cognitieve toeleveringsfirma voor de "aanval van onze tijd op de rest van de tijd" (Alexander Kluge) moet de kritiek van de politieke kinetiek andere plaatsen voor haar studies zoeken." [19]

In het reeds genoemde artikel van dr. Koenraad Elst, De paleoconservatieve les, zien we een zekere Amerikaanse equivalent van Sloterdijks suggestie: het zogenaamde homeschooling. Als paleoconservatief fenomeen gaat homeschooling gepaard met de inzet van een modern medium als internet. Met virtuele pedagogische hulpcentra en virtuele crypto-universitaire instellingen [20] is er de afgelopen jaren in de VS een systeem van onderwijs en wetenschappelijke vormgin bestaan dat geheel zelfstandig ten opzichte van de "gevestigde" instellingen en los van de burgerlijke overheden opereert.

De idee van Sloterdijk en de Amerikaanse ervaringen kunnen worden gekoppeld aan fundamentele christelijke premoderne noties: die van het klooster, die van de orde (zoals de Duitse orde), die van het verbond, die van de Canon, die van de persoonlijkheidsvorming en die van de organische gemeenschap. De werkelijkheid van zowel het Oude Europa als die van het "grassroots America" is onlosmakelijk verbonden met de natuurlijke gemeenschap. In deze gemeenschap wonen mensen niet slechts bij elkaar, maar ontspint zich in het natuurlijke leven iets van een orde, een elkaar versterken en opvangen en een onderlinge taakverdeling.

Door de klassieke christelijke gemeenschap i.c. gemeente, te zien als restauratie van de gezonde natuurlijke gemeenschap - als gemeenschap met een binnenkant en een buitenkant, kunnen ook anderen leren van de traditie van het christendom. In deze gemeenschap worden mensen sterk gemaakt, vindt er karaktervorming plaats, een intellectuele en een fysieke verdeling der taken, etc. etc. In deze "ruimte" kan een gedachtegoed i.c. levensstijl i.c. door deze dingen gevormde generatie opstaan met een offensieve en pro-actieve wijze van denken aanleren - als het ware de apologie voorbij.

De valkuil voor elke vorm van klassiek, orthodox en conservatief denken is het kunstmatige, mentale en bewustzijnsgerichte denken dat in de praktijk haast altijd een elitaire insteek inhoudt die zich afspeelt op de gevestigde academies. De paleoconservatieven kunnen en willen zich niet onttrekken aan hun posities en verantwoordelijkheden. Maar tegelijkertijd weet men dat elke gezonde man vanzelf ongezond wordt wanneer deze man langdurig in een kunstmatige, ongezonde omgeving opereert. Thomas Fleming noemde eens het Amerikaanse voorbeeld van de senator die Colorado inwisselt voor Washington en daar in de meeste gevallen sociaal, religieus en moreel verloedert. Wij menen dat een insteek bij de gemeenschap niet zozeer een garantie geeft om mislukkingen te voorkomen, maar wel een noodzakelijk startpunt is voor het opzetten van een paleoconservatieve beweging.

Concreet

Concreet betekent deze praktische insteek het volgende:

1) Paleoconservatieven moeten bij elkaar gaan wonen; individuele versnippering en netwerken is in onze samenleving een gepasseerd station. De continue beïnvloeding en de daarmee gepaard gaande verzwakking van de klassieke waarden in onze maatschappij, laat steeds minder ruimte over voor terugtrekking, afscherming of afzondering. Alleen de concrete natuurlijke gemeenschap kan een voedingsbodem zijn voor een paleoconservatieve beweging.

2) Constitutie; Net als in de VS dienen we vaste referentiepunten vast te stellen op staatkundig-maatschappelijk gebied. Op religieus gebied zijn deze historisch vrij makkelijk vast te stellen. Maar ook op staatkundig-maatschappelijk gebied is dit mogelijk door een geactualiseerde constitutie vast te stellen op basis van de Unie van Utrecht.

3) Canonvorming; Gemeenschap en Constitutie vormen de basis- en randvoorwaarden om te kunnen bepalen welke kennis van belang is en het waard is om te worden doorgegeven. Ook hier hoeven we het wiel niet opnieuw uit te vinden, maar dienen we wel extra goed in de gaten houden dat we in Europa leven en niet in de VS.

4) Training; Niet de negentiende-eeuwse Bildungsburger, maar de organische gemeenschapsmens moet gevormd, toegerust en gefundeerd worden. Zelfstandig naar buiten toe en afhankelijk naar binnen toe (richting de basis) moet onze lijfspreuk zijn. Fysieke en intellectuele vaardigheden (gecanoniseerde kennis en daarvan afgeleide paleoconservatieve inzichten), al naar gelang ieders capaciteiten, om ieders weerbaarheid te vergroten, dienen gepaard te gaan met een toesturing op een maatschappelijke rol met de groots mogelijk maatschappelijke onafhankelijkheid en weerbaarheid.

5) Virtuele academies; Om "andere plaatsen dan de gevestigde universiteiten" te creëren, dienen we net als in de VS te komen tot virtuele academies en toerustingsplaatsen ten behoeve van "homeschooling" en aanverwante zaken.

Deze genoemde zaken staan niet in een onwillekeurige volgorde. Wij menen dat het een noodzakelijkerwijze voortkomt uit het ander of er in ieder geval op voortbouwt. Om niet in de valkuilen van neoconservatisme en andere vormen van "neo-denken" (zoals neo-orthodoxie) te vervallen dient het uitgangspunt zonneklaar te zijn: de concrete, historisch, cultureel, staatkundig en religieus gefundeerde, gemeenschap zal het beginpunt moeten zijn van elke paleoconservatieve beweging. Begint men ergens anders door enkele noodzakelijke stappen over te slaan, dan vervalt ze onherroepelijk tot haar tegenbeeld: elitarisme, activisme of formalisme. Het echec van het neoconservatisme en de met haar gelieerde Evangelical Movement in de VS, toont ons het grote "gelijk" van de paleoconservatieven: alleen een alomvattende, integrale aanpak die voortkomt uit de concrete grond van gemeenschap, familie en wortels geeft perspectief, al is succes nooit gegarandeerd. Maar dat is niet erg, sinds alleen al de term "succes" is gedegradeerd tot een aanpassingsformule in de zin van: "Wie de succesformule van liberalen en neocons volgt, krijgt vanzelf succes." Van onze Amerikaanse paleoconservatieven kunnen we leren dat we hier niets voor kopen. En laten we dat dan ook maar niet proberen.

Erik van Goor, 15 februari 2006

Noten

[1] Koenraad Elst, DE PALEOCONSERVATIEVE LES.
[2] Zie over deze "omslag van de scheppende rede": Dr. W. Aalders, Theocratie of ideologie - Het dilemma van de huidige christenheid, 's Gravenhage 1977, m.n. v.a. pag. 242.
[3] Zo zag Crèvecoeur, een van de immigranten uit de late achttiende eeuw, dat ook. Hij was Frans, katholiek, zijn buren waren Zweeds en Duits (Evangelisch-Luthers), en weer andere buren waren Spaans, enz. Ze voelden zich echter allen immigrant: dat hadden ze met elkaar gemeen, en daaraan ontleenden ze, heel bewust, hun identiteit.
[4] Paul Cliteur, Moderne Papoea’s - Dilemma’s van een multiculturele samenleving, Amsterdam/Antwerpen 2002, en Tegen de decadentie - De democratische rechtstaat in verval, Amsterdam/Antwerpen 2004. De Amerikaan Benjamin Barber doet hetzelfde op een meer (progressief-)liberale wijze in diens Jihad vs. McWorld - Terrorisme en globalisering als bedreigingen voor de democratie, Rotterdam 2002.
[5] Illustratief is de ontvangst van de laatste twee boeken van de Amerikaanse schrijver Samuel Huntington: The Clash of Civilizations en Who Are We?. Na het verschijnen van het eerste boek, waarin hij de toekomstige conflictsituatie tussen “het Westen” en “de islam” beschreef, durfde het blad Foreign Affairs - waar Huntington nota bene een oprichter van is – hem van fascistoïde neigingen te beschuldigen. De ontvangst van het tweede boek was zo mogelijk nog erger. In dat boek schetste Huntington een Amerika met een identiteitscrisis die versterkt wordt door het ongebreidelde immigratiebeleid van de neoconservatieven en de daarmee gepaard gaande multiculturaliteit. Tegenover het Verlichtingsdenken van de laatsten poneerde Huntington dat de identiteit van Amerika wordt gekenmerkt door traditie en protestantisme. Dat een (conservatieve) Democrat dit moest zeggen die ook nog een bekende van Al Gore is, was voor vele neoconservatieven onverteerbaar. In het licht van ons essay schetst dit wel de werkelijke tegenstelling in Amerika. Die is niet die tussen Republican en Democrat, maar tussen Traditioneel en Verlicht.
[6] Iets wat overigens ook de Belgische paleoconservatief Koenraad Elst doet in zijn DE EEUWIGE ORDENINGEN VAN HET MORGENLAND.
[7 Robert Lemm, DE GOEDE WILDE.
[8] Met de term “Evangelicals” worden sinds de zeventiende eeuw doorgaans alle orthodoxe protestanten in Angelsaksisch taalgebied mee aangeduid. Vaak worden de traditionele evangelicals onderscheiden van de meer moderne en charismatische neo-evangelicals. Deze neo-evangelicals komen meestal in het nieuws. Ook behoren nagenoeg alle Europese continentale “evangelischen” tot deze “neo-evangelicals”.
[9] Een treffend citaat in dezen komt van de ex-gereformeerde PvdA politicus Joop den Uyl in een interviewbundel van George Puchinger, Is de gereformeerde wereld veranderd?, Delft 1966. Den Uyl: “drie kwart van hun intellectuele energie besteden ze aan de afrekening met het verleden, en maar een klein stukje van hun intellect is vrij voor het werkelijk nieuwe.”
[10] Mooi in dezen is de uitspraak van George F. Kennan: "Yet, today, if one were offered the chance of having back again the Germany of 1913, a Germany run by conservative but relatively moderate people, no Nazis and no Communists, a vigorous Germany, united and unoccupied, full of energy and confidence, able to play a part again in the balancing-off of Russian power in Europe..."; uit: American Diplomacy - 1900-1950, Chicago 1951, p. 55/56.
[11] Of zoals K. Schilder het zei: "Het leven is er vóór de academie"; in Christus en Cultuur, Franeker 1978, p. 8.
[12] Zie hiervoor de toespraak van Frits Bolkestein, gehouden voor de Vrienden van het Gymnasium d.d. 15 oktober 2005, te vinden onder Toespraak Vrienden van het Gymnasium. Opvallende afwezige is hier het christendom. Slechts ten overstaan van een islam komt het ter sprake om het pleidooi te versterken voor een godsdienstkritiek binnen de islam, net zoals het christendom dat een half millennium heeft. De hele toespraak is één groot pleidooi voor de Verlichting, inclusief een hommage aan Hirsi Ali en een kritiek op John Gray. Beschamend voor iemand die niet alleen enkele jaren geleden nog pleitte voor het "bezield verband" dat onder meer "bezield" zou dienen te worden door de joods-christelijke erfenis, maar des te meer beschamend voor iemand die met het wegschuiven van deze joods-christelijke erfenis zijn eigen gereformeerde voorouders schoffeert en over de rand de stadsgracht induwt.
[13] Zie over deze "managerial type" van James Burnham de bijdrage van James Burnham: "The Managers Shift the Locus of Sovereignty", in Joseph Scotchie, The Paleoconservatives - New Voices of the Old Right, New Brunswick, NJ/London, 1999, p. 55.
[14] LINKS ONTDEKT HET CONSERVATISME.
[15] Koenraad Elst, DE PALEOCONSERVATIEVE LES.
[16] Lees hiervoor het In Memoriam bij het overlijden van Samuel Francis door Thomas Fleming: Samuel Francis - Requiescat In Pace Domini d.d. 16/02/2004.
[17] Russel Kirk, The Roots of American Order, Wilmington, DEL, 2003.
[18] Bart Jan Spruyt, DE WREDE BARMHARTIGHEID VAN DE LIBERALE STAAT.
[19] Peter Sloterdijk, Eurotaoïsme - over de kritiek van een politieke kinetiek, Amsterdam 1991, pag. 63.
[20] Men denke aan instellingen als Liberty Fund en Intercollegiate Studies Institute (ISI), beide te Chicago.

Bron: OpenOrthodoxie

1 Comments:

At 9:57 p.m., Blogger Daan said...

In het boek 'Christianity in the West 1400-1700' van John Bossy wordt uitgelegd hoe het christendom werkte in de middeleeuwen. Het bleek dat de middeleeuwse kerk een enorme zendingsdrang had, die te vergelijken is met het project van de verlichting en de stromingen die daaruit zijn gekomen, zoals het liberalisme en het socialisme. De middeleeuwse kerk probeerde een einde te maken aan de zondigheid van de mens. Daarbij stond voorop om een einde te maken aan geweld en vooral ijdelheid. IJdelheid werd gezien als de grootste zonde van allemaal. Volgens de middeleeuwse kerk waren vooral de rijkeren en de machtigen ijdel, omdat die hun privileges probeerden te verdedigen of uit te breiden door op grote schaal oorlogen te voeren en geweld te plegen. De middeleeuwse kerk stimuleerde het ontstaan van allerlei gemeenschappen in Europa. Dit bracht geen einde aan geweld en ijdelheid. Een methode die gebruikt werd om alsnog een einde te maken aan de ijdelheid was de biecht. Biecht werkte in de middeleeuwen anders dan nu in de rooms-katholieke kerk. Biecht werd niet privé afgelegd, maar in de gemeenschap. Men vroeg geen vergiffenis voor de zonde aan god en de priester, maar aan de buren. Het draaide niet om zondigheid in het algemeen, maar specifiek om de zonde van ijdelheid. Volgens Bossy heeft de opkomst van de handel en de renaissance een einde gemaakt aan de kerkelijke wens om collectivisme op te leggen. Deze wens om tot gemeenschapszin te komen bleef desondanks behouden en is op allerlei wijzen gemuteerd.

Het paleoconservatisme baseert zich niet op oude diepe waarden in de Europese cultuur, maar op een agressieve, christelijke hervormingsbeweging uit de middeleeuwen. Een hervormingsbeweging die lijkt op die van de verlichting. Met zijn moraal van de zondigheid is het christendom zelf de voorloper van de verlichting. Ik ben het dan ook niet eens met het pre-moderne karakter van het paleoconservatisme.

 

Een reactie plaatsen

<< Home